vrijdag 2 april 2010

Een dedicatio in de Walburgiskerk te Zutphen

door Guus van Breugel

Zutphen herbergt in een aantal openbare gebouwen en woningen fraaie middeleeuwse plafond- en wandschilderingen die ooit aan onderzoek onderworpen zijn geweest. Hoewel dit ook in de Walburgiskerk het geval was, is de historische achtergrond van een schimmige wandschildering op een zuil in het koor van die kerk nog niet nader uitgewerkt. De afbeeldingen van het in tweeën doorsneden paneel van ongeveer 2,50 meter hoog, zijn eenvoudig te duiden (afb. 1 hiernaast). Boven de Heilige Maagd met Christus op haar rechterarm; daaronder kan een geoefende kijker met gemak boven ooghoogte een ridder met een kruis op zijn uitrusting herkennen. Bij restauratie is in de tweede helft van de jaren ’90 een gedeelte van de schildering - die goeddeels uit rode vlakken bestaat - aangevuld met rode verf.


Een ridder in de kerk?

Voor wat de onderzijde van de schildering betreft, ligt een associatie met Sint-Joris ligt voor de hand, maar in dat geval zou het kruis altijd rood op zilver zijn geweest. Bovendien is er in deze kerk al een andere latere Sint Jorisschildering te zien. Er bestaan veel meer ‘ridder’- of soldatenheiligen: Adriaan, Maarten en Theodosius. Maar deze zijn alle drie Romeins van oorsprong en niet op een dergelijke manier in kleding gehuld met een kruis. Ook Sint Bavo, een edelman, valt af: hij wordt meestal met een valk afgebeeld. Men mag in deze context veilig aannemen dat het kruismotief staat voor Utrecht. Het kruis was bij uitstek de verzinnebeelding van een geloofsgemeenschap en kwam als wapen voor het eerst voor op het zegel van Jan van Sierck, bisschop van Utrecht (1291-1296). Ongeveer in dezelfde tijd kozen de bisdommen Trier en Keulen voor een kruis.[1] Men zou met ‘onze’ ruiter nog kunnen denken aan een burggraaf van Utrecht, maar die zwaaide alleen de scepter over de stad Utrecht en had geen aantoonbare band met Zutphen. De ruiter is niet symbolisch bedoeld, maar is een eigentijdse, historisch correcte weergave van de bisschop van Utrecht. Ter vergelijking: uit 1330 stamt een reliëf van de bisschop van Keulen, gehuld in wapenrusting met een mijter op zijn helm. Het was in de veertiende eeuw dus niet ongebruikelijk om bisschoppen, behalve op hun stoel, ook martiaal af te beelden.

(afb. 2) de bisschop van Keulen in hoogreliëf, ca. 1330

Stijlanalyse

Ruimtebeperking op de zuil maakt dit deel van de voorstelling een beetje gekunsteld en gedrongen: een relatief lange krijger zet zichzelf schrap op een klein paardje dat van links naar rechts draaft. Aan zijn lans is hetzelfde kruis op een vlag herhaald. De schildering die mogelijk met een lijmverf of tempera is uitgevoerd, is deels lineair, deels vlakmatig, maar steeds zonder schaduwen.[2] De vormentaal sluit aan op ruitervoorstellingen op munten en zegels uit de periode 1275-1325. Met name hoe het paard opgewonden zijn staart onder het sierlijk wapperende dekkleed heft, is karakteristiek voor ná 1300.[3] Als we in de Noord-Europese context kijken, ligt er een vergelijking met ruiterzegels van andere hoogadellijke lieden voor de hand. Aantoonbaar is het geenszins, maar mogelijk is de schildering gemaakt met een dergelijk zegel als stijlvoorbeeld.



(afb. 3) Een digitale beeldreconstructie van de Zutphense schildering door de auteur.



Kostuumhistorische analyse

De datering wordt specifieker als de uitrusting van man en paard vanuit een typologisch aspect gezien wordt. Opvallend zijn de rechthoekige schouderschildjes waarop het wapenbeeld is herhaald. Het betreft de britsieren.[4] Door de hoge positie op de schouder, schuin liggend tegen de helm, konden dergelijke schildjes een zwaardklap af laten vloeien. Dit werd vooral effectief in combinatie met de kuiphelm, die conischer van vorm was dan zijn voorganger, de pothelm. De helm draagt net als het paardenhoofd een zogenaamde crista, een soort hanenkam of scherm waar het wapenbeeld op herhaald werd (vergelijk het woord crest dat in de Britse heraldiek gebruikt wordt voor het helmteken). Als helmteken ontbreekt nog de ‘kuip met pauwenveren’ die aan het eind van die eeuw werd geschilderd door de heraut Gelre (zie afb. 4 hiernaast). Het betreft dus hier nog een betrekkelijk primitief helmteken, feitelijk niet meer dan een heraldisch draagvlak. De steel van het helmteken moet de afwaaiende sluier - nog vaag zichtbaar - hebben vastgehouden, zo is het althans bekend van andere voorstellingen uit de late dertiende- en vroege veertiende eeuw. De combinatie van de geheven paardenstaart, britsieren, helmteken en de afhangende sluier wijst sterk in de richting van het jaar 1310, want de geheven paardenstaart was - zoals gezegd - een stijlkenmerk van vooral ná 1300. De helmsluier was juist vóór 1315 wat dominanter. Het schild, waarvan nog een vage schaduw over was, is bijna driehoekig van vorm (met licht uitgebogen zijden) en dat komt ook volledig overeen met de geschatte tijdspanne. Duidelijk is hoe de contouren van het zadel om de heuppartij van de ruiter grijpen, zodat hij bij een lansstoot blijft zitten. Men zat toen echt ‘in’ het zadel. Dan de lans: deze wordt niet onder- maar bovenhands vastgehouden. De gedrongen positie van de afbeelding kan de reden zijn tot een ingekorte weergave ervan. Eerder is hier sprake van een speer, die meestal niet langer dan 1.50 meter mat. De vlag is een tweeslippige wimpel zoals deze rond deze tijd gebruikt werd door lieden die de ridderslag hadden ontvangen. Hoewel fors uitgevallen, is het zeker geen banier. Een banier zou hier als territoriaal signaal misplaatst zijn, want Zutphen was geen staatkundig deel van het bisdom, maar viel slechts als geloofsgemeenschap onder de bisschop. Het schild is nog niet belegd met het verwachtingsschild waarop de bisschop zijn familiewapen kon plaatsen (zie afb. 4).



(afb. 5) Stijlontwikkeling van ruitervoorstellingen op zegels: de 'opgeheven paardenstaart' wordt steeds dominanter. Linksboven het zegel van Jean de Jérusalem uit 1288, rechtsonder dat van Aymar de Valence, comte de Pembroke, 1308 (uit: Corpus Sigillorum Neerlandicorum, Martinus Nijhoff, 1937-1940, p. 285).


Contact tussen bisschop en kapittel circa 1310

Bemoeienis van het bisdom met het kapittel van Sint Walburgis (ook wel het kapittel van Zutphen genoemd) is er doorlopend geweest, maar een exacte begindatum is duister.[5] De twaalfkoppige kern van het kapittel bestond uit kanunniken (wereldlijke geestelijken) die onder leiding van een proost baden en zongen op gezette tijden van de dag. De kerk, die al in de elfde eeuw bestond, nam met deze kapittelheren een prominente plaats in binnen het Zutphense en werd in 1105 door de uit Beieren afkomstige bisschop Burchard aan de Beierse heilige Walburgis gewijd. Utrechts contact met het kapittel liep meestal via zaakwaarnemers van de bisschop, maar zoekend met een ruime marge tussen de jaren 1290-1320 (en preciezer tussen 1300-1315 op basis van de combinatie van helmsluier en geheven paardenstaart) is er in de Zutphense oorkonden slechts een kort tijdsbestek aan te wijzen waarin de bisschop zich persoonlijk kenbaar maakte.




Zo begint een akte (afb. 6, boven) uit 1309 met: ”Nos Gwydo dei gratia…episcopus Traiectensis...”. Het beschadigde zegel in groene was toont een bisschop op zijn traditionele stoel. Het gaat om Gwydo (Gwijde) van Avesnes, uit het huis van Henegouwen (ca. 1253 - Utrecht, 28 mei 1317). Hij ruilde goed van het bisdom in de Bakerwert uit het hof Tammingh met goed van dit kapittel van Zutphen te Tjoene, bij Deventer.[6] Ook zou Gwydo in 1310 een conflict beslecht hebben aangaande oude, inmiddels door landheren en pachters te Lochem aangevochten bezitsverhoudingen. Ten gunste van het kapittel liet Gwydo een bevestiging opmaken. Deze verwijst naar een heel oude situatie van rond 1059 waarvoor men in 1310 een falsum heeft opgevoerd.[7] Het regest meldt: “Gwydo, bisschop van Traiectum, bevestigt voor deken en kapittel van de kerk van Zutphania het bezit van de tiend in Lochem en die van de weerden van Renen tot Arnhem en van Arnhem tot Daventria, zoals die hun ware toegekend door zijn voorganger, bisschop Wilhelmus”.[8] Daarna verdwijnt de bisschop voorlopig uit het kapittelarchief.
Het is niet mijn doel om hier een biografie van Gwydo van Avesnes uit te werken. Wel is het in deze context relevant dat hij succesvol en relatief geliefd was, juist vanwege zijn wereldlijke levenshouding.[9] Hij werd in 1301 - met steun van de Franse koning en de pauselijke curie - bisschop. Maar pas in 1309 werd hij als wereldlijk vorst erkend door de gekozen Rooms-koning. Een bisschop van Utrecht was normaliter een vorst als alle andere. Gwydo echter, kwam uit het machtige vorstenhuis van Henegouwen dat tal van hoge kerkelijke posities wist te bemachtigen. Zijn broer, Jan II, was graaf van Holland en kennelijk een gevreesde partij in het politieke schaakspel. Gwydo werd vóór 1300 als zijn handlanger in Holland gezien.


Voorlopige conclusies
  • De schildering is hoogstwaarschijnlijk een dedicatio, een opdracht of blijk van waardering voor persoonlijke bisschoppelijke inspanning voor het kapittel. Daarbij maakt de datering van circa 1310 het de oudste weergave van een Utrechtse bisschop als krijger.
  • De afbeelding geeft in ieder geval een oudere versie van het bisschoppelijk wapen weer, met als helmteken een scherm, in plaats van de later bekende heraldische kuip met pauwenveren. Het hartschild, dat later in de veertiende eeuw gebruikt wordt voor het familiewapen van de bisschop, ontbreekt nog.


[1]H. de Vries: Wapens van de Nederlanden, de historische ontwikkeling van de heraldische symbolen van Nederland, België, hun provincies en Luxemburg, Uitgeverij Jan Mets, Amsterdam, 1995.
[2] In het Stedelijk Museum Zutphen bewaart men nog een dergelijk muurfragment met krijgers van rond die tijd, afkomstig van achter het behang van een woonhuis.
[3] In het derde kwart van de dertiende eeuw ziet men dit stijlelement opdoemen in Vlaanderen, maar na 1300 lijkt het overal in Noordwest Europa school te hebben gemaakt. Vergelijk de afbeeldingen in: E. Warlop: De Vlaamse adel voor 1300, Handzame, 1968.
[4] Vergelijk met het woord brits of in het Duits, Brett: plank.
[5] Regionaal Archief Zutphen, Archief van het kapittel van Sint Walburgis, 1059-1606 (toegang 325).
[6] Regionaal Archief Zutphen, Archief van het kapittel van Sint Walburgis, 1059-1606 (toegang 325), inventarisnr. 148, regest 36.
[7] Gelre nr. 31, Vereeniging tot beoefening van Geldersche Geschiedenis Oudheidkunde en Recht (bijdrage W. de Vries: De opkomst van Zutphen), S. Gouda Quint-D. Brouwer en zoon, Arnhem, 1960.
[8] Regionaal Archief Zutphen, Archief van het kapittel van Sint Walburgis, 1059-1606 (toegang. 325), regest 37.
[9] D. de Boer, E. Cordfunke (et al.): Eén graaf, drie graafschappen. De vereniging van Holland, Zeeland en Henegouwen (bijdrage B. van Hoven van Genderen: Een bisschop uit het zuiden, Gwijde van Avesnes tussen Utrecht en Holland), Hilversum, 2000.

1 opmerking:

  1. Carry Coppée15 april 2010 12:57

    Misschien nog aardig te vermelden dat van deze Gwydo (of Guy) van Avesnes de enig overgebleven graftombe in de Dom in Utrecht bewaard is gebleven

    BeantwoordenVerwijderen